Column Marc Tangel: Amandelmemoriam


Foto:

Column Marc Tangel: Amandelmemoriam

“Komend weekend gaan we toch nog twee weekjes op vakantie”, verkondigde de man terwijl hij dromerig door het raampje van de wachtkamer tuurde. “Een latertje”, constateerde ik. “Dat komt door mijn dochtertje”, verklaarde mijn tijdelijke kamergenoot. “Ze wordt komende woensdag geopereerd aan haar amandelen. Het plan is om daarna vrijdag weg te gaan.” “Dan heeft ze in elk geval nog iets positiefs in het vooruitzicht”, knikte ik begripvol. “Nee”, sprak hij hoofdschuddend, “Ze weet het nog niet”. “Van die vakantie?’, vroeg ik retorisch, maar zijn antwoord: “Nee, van die operatie” veegde hij deze aanname van tafel.

Verbaasd keek ik nu naar de man tegenover me. Een leeftijdsgenoot. Duidelijk groter dan ik, breedgeschouderd en zeer kaal. Zijn ogen hadden iets treurigs. Hij leek me iemand die in zijn jonge jaren Yogi Bear als jeugdheld had geadopteerd en er nu daadwerkelijk op was gaan lijken. “Een meisje van vijf ga je toch niet lastigvallen met zo’n vervelend vooruitzicht?”, onderbrak hij observatie. “Tja”, reageerde ik mat, terwijl mijn gedachten opnieuw afdaalden.

Dezelfde leeftijd moet ik ongeveer gehad hebben. Van de keelpijn herinner ik me eigenlijk niets meer, maar ik weet nog wel dat mijn moeder probeerde me met een spiegeltje naar mijn eigen keelgat te laten kijken. Daar zag ik zelf niks raars, maar inmiddels was me wel duidelijk geworden dat er iets aan de hand was. Mijn zus, drie en een half jaar ouder, had dit alles al eens meegemaakt en kon me dus geruststellen. Bovendien stelde ze twee weken verplicht waterijsjes eten in het vooruitzicht en wist ze zelf niet beter, of ze zat op de avond na haar amandeloperatie al een peuterzak paprika chips weg te werken.

Zo belandde ik, op een zonnige ochtend in het laatste kwartaal van de jaren tachtig, met mijn ouders in de wachtkamer van het Diaconessenhuis in Voorburg. Ik wist vooraf dat mijn moeder mee mocht naar de behandelkamer en dat ik daar in slaap zou worden gebracht met lachgas. Ik had alleen nog geen idee wat dat precies was. Wel had ik me heilig voorgenomen mijn moeder nog even gedag te zeggen voor ik in slaap zou vallen, maar bij dit plan had ik geen rekening gehouden met het masker dat mij, eenmaal in de behandelkamer aangekomen, plotseling op de neus werd geduwd.

Nadat ons was uitgelegd wat er zou gaan gebeuren en de lachgaskraan was opengedraaid, begon ik hartstochtelijk “dag mama” te roepen naar mijn moeder die, door het gesis van gaspatronen en mijn geplastificeerde muilkorf, daar uiteraard geen woord van meekreeg. Wel hoorde ik de man, die de gaskraan bediende, haar nog zeggen: “hij doet het goed” en tenslotte bedacht ik me dat het misschien handiger was om even met mijn hand te wuiven, dan te blijven roepen. Daarna werd alles zwart.

Even later ontwaakte ik uit een droom waarin mijn zus en ik met onze buurmeisjes aan het spelen waren in de stacaravan van mijn ouders. Mijn verkoeveren werd opgemerkt door een zuster, die toesnelde en vroeg hoe het ging. Bij het antwoorden kwam er echter geen enkel geluid uit mijn keel, waarna ik in een spontane stomme huilbui ontstak. Eenmaal thuis herstelde ik voorspoedig, al bleek al snel mijn zus het meeste garen te spinnen tijdens deze periode: ik had namelijk geen enkele behoefte aan waterijsjes!

Meer berichten

Het lokale nieuws in uw mailbox ontvangen?

Aanmelden